Dierenwelzijn en economie

20/03/2011

De Islām hecht groot belang aan ethisch gedrag jegens dieren, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het verhaal van Sālih (a.s.) in de Qor’ān. Een goed overzicht in zowel Arabisch als Engels biedt Al-Hafiz B.A. Masri: Islamic Concern for Animals, The Athene Trust, Hants (VK), 1987, ISBN 1-870603-00-1; indertijd samengevat in het artikel “Islam en dierenwelzijn”, Qibla, 12e jaargang, No. 3, herfst 1989, pp. 10-13. Een actuele website is www.vegislam.com.
In het onderstaande probeer ik deze islamitische waarde meer ingang te doen vinden door haar te vertalen in de abstracte terminologie van de neo-klassieke economie. Inleidingen in die terminologie zijn in en om iedere economische faculteit verkrijgbaar.
Het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (1) zegt dat in het dierenwelzijnsbeleid de “intrinsieke waarde van het dier” een steeds belangrijker rol speelt. Een groot deel van de Tweede Kamer sluit zich daar bij aan, en laat regelmatig dierenwelzijn prevaleren boven de economische belangen van groepen mensen. Over de opvatting dat tegenover dieren zekere morele normen in acht genomen moeten worden lijkt zich in Nederland een consensus af te tekenen.
Kan de intrinsieke waarde van een dier in euro’s worden uitgedrukt? Wat is een moreel verantwoorde verzorging van een dier in de veehouderij waard? Waarom zou de overheid geld uittrekken voor dierenbescherming, en onder welke voorwaarden zouden marktmechanismen bij het bevorderen van dierenwelzijn kunnen worden ingeschakeld? Wie, om dergelijke kwesties evenwichtig te benaderen, zoekt naar de rol van dierenwelzijn in de welvaartstheorie of naar de rol van het dier in de leer der openbare financiën, vindt vooralsnog nagenoeg niets.
Dat is merkwaardig, want het analytische apparaat van de welvaartstheorie is dermate abstract, dat het evengoed voor de relaties tussen mens en dier als voor intermenselijke relaties kan worden gebruikt. Als het woord ‘samenleving’ naar de letter wordt genomen, zijn dieren er lid van, en dus kan hun welzijn worden meegenomen als een van de argumenten van de social welfare function. De gebruikelijke impliciete aanname dat de invloed van dit argument op de maatschappelijke welvaart nul is weerspiegelt bepaalde opvattingen over moraal (of liever het gebrek daaraan) en moet derhalve ter discussie staan (2).
Dieren hebben weliswaar geen geld maar wel “endowments” van economische waarde zoals scharrelruimte of voeder van een hoge of lage kwaliteit; dus kunnen de strijdige belangen van veehouders en hun vee worden geïllustreerd d.m.v. een Edgeworth box met iso-nutscurven voor het vee en iso-winstcurven voor hun beheerder. Het begrip Pareto-efficiëntie blijft daarbij van kracht, want een situatie waarin dieren erop vooruit kunnen gaan terwijl de mensen er niet op achteruit gaan (of elkaar kunnen compenseren voor verliezen) wordt gekenmerkt door verspilling. Een goed over dierenwelzijn geïnformeerde overheid zou zo’n situatie kunnen en moeten corrigeren door een belasting (of subsidie) op bepaalde inputs in de veehouderij, zoals voeder, legbatterijen of kooien. Zo’n belasting of subsidie kan weer eventueel gecompenseerd door een lump sum subsidie (of belasting), zodat de veehouders niet in hun inkomen worden getroffen, maar wel worden gestimuleerd met dierenwelzijn rekening te houden.
Externe effecten
Menselijk welzijn wordt via allerlei externe effecten (gewekt worden door fluitende vogels; voortdurend kreupel geschoten dieren op je Veluwse erf aantreffen; gewetenseffecten; Godsbesef zoals bij Dawoed a.s. (3) ) beïnvloed door dierenwelzijn, een invloed die deels via contingent valuation methodieken (4) zou kunnen worden onderzocht. Een economische orde die deze externe effecten niet zo goed mogelijk internaliseert is inefficient.
Van een extern effect is sprake wanneer de prijzen die individuele producenten en consumenten ontvangen en betalen niet volledig recht doen aan de voor- en nadelen van productie en consumptie voor de samenleving (inclusief dieren) als geheel, omdat er externe kosten of baten zijn. Zoals bekend uit vele milieudiscussies kunnen zulke situaties op diverse manieren worden aangepakt: door verboden, al dan niet verhandelbare quota, Pigoviaanse belasting- en subsidiemaatregelen, onderhandelingen tussen de belanghebbende partijen (Coase 1960), keurmerken of zelfregulering. Verboden (moeten) worden toegepast als iets dermate immoreel of gevaarlijk is dat compromissen onwenselijk zijn. Als voorbeeld zou kunnen worden gedacht aan het, uitsluitend voor de lol of om de verveling te verdrijven, doden of levensgevaarlijk verwonden van vissen; hengelen dus. De andere maatregelen, waaronder belastingmaatregelen, hebben een minder radicaal karakter en zijn meer geschikt voor situaties waarin verschillende overwegingen toch nog in enigszins redelijke proportie tegenover elkaar staan. In termen van Islamitisch recht gaat het om dingen die niet harām maar wel makrōēh zijn. Gedacht kan worden aan maatregelen m.b.t. de omstandigheden waaronder dieren gehouden worden, waarbij de belangen van boeren en consumenten moet worden meegewogen. Zelfregulering is de meest vrijblijvende optie.
In de context van dierenwelzijn zijn Coasiaanse onderhandelingen alleen enigszins voorstelbaar als de dierenwelzijnsbeweging als zelfbenoemde woordvoerder namens de dieren wordt aanvaard. De rest van dit artikel beperkt zich tot financiële prikkels, zoals belastingen en subsidies.
Financiële prikkels
Opmerkelijk is dat op het terrein van het dierenwelzijn belastingmaatregelen zelden worden voorgesteld. Zo gaan Vermeend (indertijd staatssecretaris voor belastingpolitiek) en Van der Vaart (5) uitvoerig in op belastingmaatregelen ten behoeve van het milieu, maar wijden geen woord aan dierenwelzijn.
Belasting- en subsidiemaatregelen moeten, net als verbodsbepalingen en quotaregelingen, wel praktisch uitvoerbaar zijn. Van belang is bijvoorbeeld dat EU-lidstaten nog steeds bevoegd zijn accijnzen te heffen op andere producten dan minerale oliën, alcohol en alcoholhoudende dranken en tabaksproducten, maar dat die belastingen niet mogen leiden tot grensprocedures. Veel zaken moeten dus bij voorkeur worden aangepakt op EU-niveau.
Naast tijdelijke herstructereringssubsidies zouden de volgende permanente maatregelen overwogen kunnen worden.
1. BTW-hervorming
In Nederland wordt zonder enige reden op een aantal producten niet het standaard-BTW-tarief van 17,5%, maar het lage tarief van 6% toegepast, een impliciete, verborgen subsidie (6), die gegeven de minimumprijzen die de EU aan producenten garandeert grotendeels aan de consumenten toekomt. Dit betreft o.a. voedsel (in een samenleving waarin veel mensen kampen met overgewicht) en dus ook vele veeteeltproducten. Remmers stelde terecht als minimum-maatregel voor de BTW op vlees (evt. met uitzondering voor scharrelvlees) te verhogen naar het standaard-tarief (7). De Nederlandse “Green Tax Commission” verwierp dit om administratieve redenen en omdat de sector tijdens het herstructureringsproces niet gebaat is bij stijgende consumentenprijzen. Het aanvoeren van “administratieve redenen” (het onderscheiden van vleesproducten en overige voedingsproducten zal problemen opleveren) betekent dat het ongerechtvaardigde bestaan van het lage BTW-tarief wordt aangegrepen als rechtvaardiging om iets geringers, de gedeeltelijke correctie van een andere onrechtvaardigheid, nl. de “externe kosten” van vleesproductie, tegen te houden. Het herstructureringsargument is slechts tijdelijk geldig, en als de herstructurering (c.q. sanering) moet worden gesubsidieerd kan dat beter niet ongericht en impliciet gebeuren door het lage BTW-tarief.
Onder het lage BTW-tarief vallen ook veevoeder, ongeacht de smakelijkheid en veiligheid daarvan voor dier en mens, bijvoorbeeld dierlijk afval. Verder ook toegangsbewijzen tot instellingen die door de dierenwelzijnsbeweging als dierengevangenissen worden gezien: dierentuinen en circussen. Ook deze toegangsbewijzen moeten worden verhoogd van het lage tarief naar het standaardtarief. Dat nog los van wat met expliciete subsidies aan deze instellingen moet gebeuren. Dierentuinen kunnen een nuttige rol spelen t.a.v. biodiversiteit en onderzoek, maar voor educatie is er tegenwoordig Discovery, Geography Channel en de kinderboerderij.
In alle genoemde gevallen (vlees, overige veeteeltproducten, veevoer, diergevangenissen) geldt dat de sowieso noodzakelijke BTW-hervorming slechts een eerste stap is naar het uitdrukken van dierenwelzijn in prijzen.
2. Selectieve accijnzen, prijsgaranties en invoerrechten op veehouderijproducten
De tweede stap zou, in een ongereguleerde markt voor veehouderijproducten (vlees, eieren, melk), de instelling zijn van een accijns waarvan diervriendelijke producten (die op dit moment nog duurder zijn; 0,09 Euro voor een legbatterij-ei, 0,14 Euro voor een volière-ei, 0,18 Euro voor een scharrelei) zijn vrijgesteld. Het tarief wordt zodanig vastgesteld dat het consumentenprijsverschil tussen bioindustrie- en meer acceptabele producten (dus tot 2008 ca. 100% bovenop een legbatterij-ei) wordt overbrugd.
De uitvoeringskosten voor de belastingdienst worden verminderd door het feit dat de samenleving ook in andere EU-lidstaten al is begonnen te investeren in een keurmerkeninfrastructuur.
Een aanvulling op dit soort accijns in een door minimale garantieprijzen verstoorde markt is het beperken van prijsgaranties aan producenten tot slechts die producten die aan morele of keurmerkstandaarden voldoen (voor de rest geldt dan het marktmechanisme), of, als minimale overgangsmaatregel, het invoeren van lagere garantieprijzen voor producten van de bio-industrie. Op deze wijze zou de EU in het wereldhandelsoverleg wellicht zelfs de moral high ground kunnen veroveren.
Ook zouden invoerrechten op veehouderijproducten uit de VS en overige handelspartners afhankelijk gemaakt kunnen worden van de afwezigheid van een keurmerk.
3. Belastingen op huis- en proefdieren
Het gevangen houden van huis- en proefdieren kan op twee manieren worden belast: eenmaal bij aanschaf via de dierenhandel, of jaarlijks door een terugkerende heffing op bezit, zoals nu al de hondenbelasting. Het laatste heeft twee nadelen. Effectieve controle op het bezit (i.p.v. de aanschaf) van dieren is bij honden wellicht nog mogelijk, maar bij kleinere dieren met levenslang kom- of kooiarrest nauwelijks. Verder zou invoering (of, bij honden, drastische verhoging) van een jaarlijkse belasting op bezit bestaande gevallen treffen en plotseling op kosten jagen; dat kan leiden tot zwerfdieren.
Het nadeel van het alternatief dat waarschijnlijk de voorkeur verdient, een accijns opgelegd aan de handel in dieren, is dat dieren die in de huishouding van de koper (bijv. een laboratorium) geboren worden of door hemzelf worden gevangen of ingevoerd door de mazen van de belasting glippen. Het gebruik van proefdieren is een argument voor een accijns op producten waarvoor in veel landen dierproeven worden gebruikt, zoals parfum en cosmetica. In Nederland zijn dierproeven t.b.v. deze luxe goederen overigens verboden.
Het belasten van huisdieren slaat twee welvaartstheoretische vliegen in één klap, omdat ze – waakhonden, politiehonden en blindegeleidehonden niet te na gesproken – zelf ook voor allerlei negatieve externe effecten kunnen zorgen. Honden blaffen ‘s nachts, deponeren hun ontlasting overal, bijten zich in een hondsdolle bui vast in het paard van de melkboer, of zitten kranten- en postbezorgers na. Poezen bijten scharrelkuikens dood. Zowel honden als poezen verwekken ongewenst nageslacht.
Volgens de stichting Consument en Veiligheid wordt gemiddeld per jaar één Nederlander door een hond doodgebeten, en tienduizenden (merendeels geen criminelen, maar bekenden van de hond) moeten jaarlijks voor hondebeten naar het ziekenhuis.
Externe effecten die door dieren worden veroorzaakt (i.p.v. ondergaan) zijn, wanneer ze negatief zijn, overigens wel door de literatuur opgemerkt. “Incidental uncharged disservices are rendered to third parties when the game-preserving activities of one occupier involve the overrunning of a neighbouring occupier’s land by rabbits (8)”. “It is possible to speak of the external effects of, say, wild animals and use this to justify certain measures against them (9)”. Het voorbeeld dat Coase het meest uitgebreid behandelt is dat van vee dat schade aanricht aan andermans akker (10).
4. Gebruikersheffingen voor vis- en jachtvergunningen?
Jachtactiviteiten hebben negatieve externe effecten op dierenwelzijn. Dat een dier een kogel door de kop krijgt of door jachthonden aan repen wordt gescheurd is, zolang er dieren zijn die vredig sterven, principieel te betreuren, evenals het feit dat er dieren zijn die door jacht en hengelsport niet worden gedood maar wel (vaak levenslang) verminkt. De overheid verbiedt deze Nederlandse equivalenten van het Spaanse stierenvechten niet, maar beperkt ze door jacht- en visvergunningen verplicht te stellen.
De prijs van een visvergunning, thans 7,95 euro per jaar, is geen belasting maar een gebruikersvergoeding en geldt als “bijdrage in de kosten van de overheid” (o.a. voor viskweekvijvers) “om het water bevisbaar te houden”. Het aantal verstrekte visvergunningen wordt bepaald door de vraagzijde.
De VS hebben een iets ander systeem. Zij belasten benodigdheden voor sportvissers maar ook vuurwapens (de belangrijkste benodigdheden voor de jacht) met een accijns van 10% op de productieprijs. De opbrengsten, honderden miljoenen dollars per jaar, worden verdeeld aan vis- en wildbeheerorganisaties op deelstaatniveau door een Federaal Hulpprogramma, o.a. t.b.v. educatie. Het verschil is vergelijkbaar met het verschil tussen de wegenbelasting en de brandstofaccijns: in het Amerikaanse systeem is de belasting van de “sportman” meer proportioneel aan het aantal belaagde dieren. Echter ook in de VS worden visserij- en jachtbenodigdheden niet gezien als demerit goods, waarvan de consumptie zou moeten worden verboden of zelfs maar afgeremd.
De intrinsieke waarde van een verminkte vis speelt in de Nederlandse en Amerikaanse kostprijsberekening geen rol. Als per vergunning per jaar gemiddeld 100 vissen worden gevangen zou een visvergunning een fors bedrag moeten kosten, aannemend dat het voor een vis even pijnlijk is om een haak door de bek te krijgen als voor een leghen om haar snavel te zien afgebrand, zodat ze niet zal pikken naar haar buurvrouwen met wie ze wordt opeengepropt en zo levenslang voor 0,09 euro lagere kosten per ei misschien 100 eieren per jaar kan leggen.
Maar kan zoiets nog wel in geld worden uitgedrukt? Moeten op het terrein van het dierenwelzijn beleidsinstrumenten op basis van het oog-om-oog, tand-om-tand principe overwogen worden? Maar zelfs dat omzeilt de waarderingsproblemen niet, immers een mens is, in elk geval potentieel, meer dan een beest.
Slotopmerkingen
In het bovenstaande heb ik geprobeerd, op een manier die ook niet-Moslims zouden moeten kunnen onderschrijven, aandacht te vragen voor het gebrek aan communicatie tussen economen en de dierenwelzijnsbeweging, op zowel theoretisch als praktisch vlak. Op het gebied van mijn eigen specialisme, fiscaal beleid, heb ik een aantal praktische voorstellen gedaan.
Veel is overigens nog allerminst uitgewerkt. Zo hebben m.i. de Islamitische ideeën over welzijn en het nastreven van het welbehagen van Allāh s.w.t. grote consequenties voor de welvaartstheorie, de schijnbaar gortdroge tak van de economie die de abstracte termen en criteria heeft ontwikkeld aan de hand waarvan mogelijke overheidsmaatregelen worden getoetst. Ook spelen er fiqh-kwesties, bijv. of bioindustrie-producten eigenlijk nog wel als halāl kunnen worden beschouwd, en zo niet, waar dan precies de grens ligt. Deze en andere onderwerpen zouden nader aan de orde kunnen worden gesteld.
Drs. Mohammed de Zeeuw studeerde econometrie (1980-1988) en Nederlands recht (1983-1985) en was werkzaam bij de Stichting Economisch Onderzoek Rotterdam (1988-1998) en het Islamitisch Pedagogisch Centrum (1997-1998). Vanaf april 1998 tot december 1999 was hij als adviseur belastingpolitiek in dienst van USAID verbonden aan het Ministerie van Financiën van de Republiek Oezbekistan in Tasjkent. Sinds augustus 2000 is hij als docent economie en adjunct-directeur verbonden aan Islamitische Scholengemeenschap Ibn Ghaldoen in Rotterdam.
E-MAIL: de_zeeuwm[at]hotmail[dot]com.
Noten
  1. www.minlnv.nl/thema/dier/welzijn
  2. C. Blackorby, D. Donaldson, ‘Pigs and Guinea pigs: a note on the ethics of animal exploitation, The Economic Journal, Nov. 1992, pp. 1345-1369, komen op basis van een utilitaristische ethische theorie, dus een additief separabele welvaartsfunctie, tot interessante conclusies.
  3. Koran 21,79; 34,10; 38,18v.
  4. R. Bennett, The value of farm animal welfare, Journal of Agricultural Economics, 1995, pp. 46-60; R. Bennett, D. Larson, Contingent valuation of the perceived benefits of farm animal welfare legislation: an exploratory survey, Journal of Agricultural Economics, 1996, pp. 224-235.
  5. W. Vermeend, J. van derVaart, Greening Taxes – the Dutch Model, Kluwer, Deventer, 1998, p. 99.
  6. S. Cnossen: Lastenverschuiving door uniformering van BTW-tarieven, Economisch Statistische Berichten, 15 nov. 1995, blz. 1026-1030.
  7. H.W. Remmers: De wenselijkheid van een hoger BTW-tarief op vlees, Economisch-Statistische Berichten, 17 apr. 1996, blz. 346.
  8. A.C. Pigou: The Economics of Welfare, 1924, p. 163.
  9. Y.-K. Ng, Welfare Economics. Introduction and Development of Basic Concepts, 1983, p. 166.
  10. Vergelijk de uitleg van Yūsuf cAlī bij Qor’ān 21,78.
Met toestemming overgenomen uit: Acta Academica, jaargang 2, nr. 7, januari-maart 2001, pp. 8-17

Wat je wellicht ook interessant vindt..

Fair trade: islamitische visie

In economisch turbulente tijden rijst de vraag: welke oplossingen worden er geboden vanuit islamitisch perspectief?...

‘Eco-Islam’ Wereldwijd

Globalized Islam: a Survey of Islamic Environmentalism Anne Marieke Schwencke Korte samenvatting van de studie: Sinds...

0 reacties